Het beeldje
Het eerste wat mij opviel bij binnenkomst, was een beeldje van een vrouw in een blauwe jurk met goudversieringen. Het vertoonde een barst en de goudkleurige verf was hier en daar afgebladderd. Ze had het kleinood in een haastig ingepakte tas meegenomen. Dat tasje was haar enige bagage op haar zware reis van duizenden kilometers. Het beeldje was lange tijd haar enige tastbare herinnering. Totdat haar kinderen, na ze jaren niet gezien te hebben, eindelijk dichtbij kwamen wonen. Dat was allemaal al lang geleden. Ze was begonnen haar verhaal op te schrijven. Eerst wat kleine stukjes, later werd het een groot verslag. Ze hoopte dat ze er een mooi boekwerkje van kon laten maken. Met een foto van het beeldje erop. Voor haar kinderen. En voor haar kleinkinderen. Of ik haar kon helpen, want ze had wat moeite met de taal. En ze wilde het netjes af kunnen geven, zonder taalfouten.

Het gelukkige paar
Ze vonden dat ze alle geluk van de wereld hadden en dat ze niet mochten klagen. Niemand had het zo goed als zij. Ze hadden elkaar, een mooi huis, ze konden gaan en staan waarheen ze maar wilden. Maar waarom voelden ze zich allebei zo alleen staan? Natuurlijk hadden ze veel meegemaakt in hun leven, maar dat was toch voorbij? Ze hadden hulp gevraagd en het advies gekregen om los van elkaar hun levensverhaal te schrijven. Zij zei dat zij als een dolle aan het schrijven was geslagen zonder op foutjes te letten. Hij had ook wel wat aantekeningen gemaakt, maar hij vond het zelf niet veel soeps. Het zou fijn zijn als een deskundige op het gebied van taal ze een duwtje in de goede richting kon geven, zodat ze een goedlopend levensverhaal zouden krijgen. Een begrijpelijk verhaal zonder spelfouten. Misschien zouden ze elkaar dan beter begrijpen. Misschien was hun verhaal zelfs de moeite waard voor in een tijdschrift …

De student
De studentenkamer was bezaaid met papieren, met laptops en met andere apparaten. Vriendelijk bood hij mij allerlei drankjes aan, van koffie en thee tot bier en schnaps. Wij praatten over allerlei zaken, maar niet over het doel van mijn komst. Op mijn toespelingen daarover veranderde hij aldoor van onderwerp. Het was gezellig en leerzaam, zeker, maar het leek erop dat ik onverrichter zake naar huis zou gaan. “Een beetje student kan meestal wel schrijven”, zei hij uiteindelijk, bij de deur. “Dat wordt van ons verwacht. En zonder dyslexieverklaring lukt het mij niet om meer tijd te krijgen. Nu worden mijn kansen op een diploma ernstig verkleind. Hoe jij mij kunt helpen? Door wat ik al heb, na te kijken en eventuele opmerkingen in de zijlijn te plaatsen. Of beter; corrigeer jij alles maar meteen, dan kijk ik of ik het ermee eens ben.”